Nieuws - Website Focolarebeweging

 

  HOME

 
Rede Pieter Kohnen
De eucharistie vanuit katholiek perspectief
 

Samenvatting van de bijdrage aan de Focolare-studiemiddag op zaterdag 16 januari met als onderwerp Avondmaal en Eucharistie, door Pieter Kohnen

Oecumene is niet iedere keer meer water bij de wijn doen, want dan worden we niet alleen allemaal grijze muizen: we hebben uiteindelijk ook geen wijn meer...

De katholieke denkpiste aangaande intercommunie

De vraag naar de mogelijkheid van het samen vieren van eucharistie en avondmaal is allerminst een omstreden vraag. Het is een gerechtvaardigde en noodzakelijke vraag omdat de queeste naar de eenheid van de christenen erachter schuil gaat.

De Nederlandse bisschoppen schreven in 1966 dat de ‘oecumenische beweging zonder verlangen naar eucharistische communie niet beantwoordt aan Christus’ bedoeling’. En Charta Oecumenica, het oecumenische grondvest van Europese kerken (CEC) en Europese bisschoppen uit 2001 noemt het een verplichting om de eucharistische gemeenschap voor ogen te blijven houden.

Het antwoord op deze noodzakelijke en gerechtvaardigde vraag is enerzijds zeer divers en roept anderzijds in welhaast iedere verschijningsvorm ergens protest, verbod of verontwaardiging op. En niet zelden wordt de ophef ingegeven door de consequent herhaalde katholieke positie: intercommunie is niet toegestaan. Het is geen middel om de eenheid af te dwingen maar de bekroning van het einddoel om de bereikte eenheid te vieren, er dank voor te zeggen en haar te bestendigen.

Een andere reden voor de ophef ligt zonder twijfel in de urgentie van de kwestie. In de woorden van Walter kardinaal Kasper, voormalig prefect van de Pauselijke Raad voor de Eenheid der Christenen: “in de huidige situatie is het omwille van de waarheid niet mogelijk, dat alle christenen zich verzamelen rondom de ene tafel van de Heer en aan de ene maaltijd van de Heer deelnemen. Dat is een diepe wond aan het lichaam van de Heer en uiteindelijk een schandaal.”

Waarom is die katholieke positie (intercommunie uitsluitend als resultaat en zeker nooit als middel van kerkelijke eenheid) zo in steen gehouwen en in beton gegoten? Wel: de eucharistische gemeenschap is vanuit de katholieke theologie onverbrekelijk verbonden met de volledige kerkelijke gemeenschap en is de zichtbare uitdrukking daarvan. Aan de basis ligt een sacramentsverstaan dat onlosmakelijk verbonden is met kerkverstaan en direct gekoppeld aan de ambtsopvatting.

Toch gaan de katholieke kerkdeuren niet dicht. Niet-katholieken en ook niet-gelovigen kunnen de eucharistieviering bijwonen, maar ze kunnen niet ter communie gaan. Tenminste, in de regel niet.

Unitatis Redintegratio (8), het oecumenedocument van het Tweede Vaticaans Concilie zegt over intercommunie: Als symbool voor de eenheid is zij meestal verboden, maar als middel tot genade verdient zij soms aanbeveling.

Het Oecumenisch Directorium formuleert het wat minder compact: in bepaalde omstandigheden, bij wijze van uitzonderingen kan het op bepaalde voorwaarden, worden toegestaan, of is het zelfs aan te bevelen om christenen van andere kerken en kerkelijk gemeenschappen toe te laten tot de sacramenten van eucharistie, boete en ziekenzalving.

Zoveel openheid roept natuurlijk de vraag op naar de meer exacte omschrijving van de omstandigheden en voorwaarden waarvan sprake is. Canon 844 § 4 van de Codex specificeert nader: “Als stervensgevaar aanwezig is of als volgens het oordeel van de diocesane bisschop of van de bisschoppenconferentie een andere ernstige nood ertoe dwingt, dienen katholieke bedienaren dezelfde sacramenten geoorloofd toe ook aan de overige christengelovigen niet in volledige gemeenschap levend met de katholiek Kerk, die zich niet tot een bedienaar van hun gemeenschap kunnen wenden en er uit eigen beweging om vragen, mits zij wat dezelfde sacramenten betreft blijk geven van het katholieke geloof en zij de juiste gesteltenis bezitten”.

Men kan natuurlijk de genoemde bijzondere situaties theologisch en pastoraal elastisch interpreteren en toepassen. Zeker bij gemengd gehuwden, waar het drama van de verdeeldheid zowel bij de kerkgang als bij de opvoeding van de kinderen het meest direct ervaren wordt, lijkt dat te rechtvaardigen. Maar dat biedt niet de echte oplossing. Uiteindelijk is niet intercommunie, maar communie in de zin van volledige kerkelijke gemeenschap het na te streven ideaal.

Eucharistie als gemeenschapsviering

Pas vanuit die communio kan de communio in sacris tot stand komen. Wat volgt is een poging om openingen te tonen waardoor een gezamenlijke viering van de eucharistie door katholieken en niet-katholieken tóch gemeenschapstichtend en in ook in oecumenisch opzicht in hoge mate vruchtbaar kan zijn, ook zonder intercommunie.

Het tweede Vaticaans concilie heeft de eucharistieviering in de katholieke kerk opnieuw gedefinieerd als een gemeenschapsviering. Tevoren zei men: ‘de priester draagt de Mis op’, namens de gemeenschap, met het gezicht naar God en derhalve met de rug naar de geloofsgemeenschap. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over het hoogtepunt van het Heilig Misoffer werd tijdig de aandacht naar het hoogaltaar gewend door het luiden van altaarschellen.

Het Tweede Vaticaans Concilie verlegt de nadruk van de viering van de Eucharistie naar de gemeenschap. Dat wordt niet alleen, maar wel heel visueel, uitgedrukt door de (overigens facultatieve) toewending van de priester naar de geloofsgemeenschap. Dat vraagt ook iets van de gelovigen: de actieve deelname (participatio actuosa) en niet minder een bewuste deelname.

Wanneer Gods Volk zich onder leiding van de bisschop of diens vervanger (de priester) verzamelt voor die viering van de Eucharistie, dan vormt doet zij dat onder het oogmerk een gemeenschap te vormen. Deze gemeenschap overstijgt het locale en tijdelijke. De katholieke Kerk verstaat zich en is ook feitelijk een universele, wereldwijde Kerk. De eucharistievierende gemeenschap is sacramenteel verbonden met andere gemeenschappen die waar ook ter wereld eucharistie vieren. De Orthodoxie reikt ons nog een ander perspectief aan: we vieren niet alleen in gemeenschap met de Kerk van alle plaatsen en alle tijden, maar ook met de gemeenschap in de hemel.

Het meest centrale gemeenschapselement in de viering van de Eucharistie is echter niet beperkt tot de menselijke gemeenschap van tijden en plaatsen, maar de gemeenschap en ontmoeting met Christus. Men kan om allerlei begrijpelijke redenen menen dat die gemeenschap met Christus binnen de Eucharistieviering alleen en exclusief in het ontvangen van de Communie tot stand wordt gebracht. Maar er is meer.

Christusontmoeting in de Eucharistie

Vanuit het katholieke perspectief komt de ontmoeting met Christus binnen de Eucharistieviering op meerdere momenten en manieren tot stand. Allereerst in de gemeenschap zelf: waar twee of meer in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden.

Vervolgens in de persoon van de bedienaar, de alter Christo, gewijd voor de altaardienst. De bisschop/priester representeert symbolisch Christus. Sterker nog: in de Eucharistie is Christus de eigenlijke celebrant. Natuurlijk ook onder de tekenen van brood en wijn, de realis presentia bij uitstek. In de eucharistieviering wordt uitdrukkelijk gevierd dat brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus. En tenslotte ook in het Woord van God dat sinds het Tweede Vaticaans Concilie rijker en diverser klinkt in de katholieke liturgie.

Om de verbale maar reële aanwezigheid van Christus te verduidelijken als evenwijdig aan de sacramentele aanwezigheid, schrijft Dei Verbum 68: "Het is goed dat de Ambo een vaste plaats heeft en een plastisch element vormt dat in esthetische harmonie is met het altaar, zodat het ook zichtbaar de theologische betekenis symboliseert van de dubbele tafel van het Woord en van de Eucharistie."

Naast het altaar van de eucharistie toont zich hier een tweede altaartafel: die van het woord. Naast de dienst van de eucharistie is voortaan ook sprake van een dienst van het Woord. De gemeenschap komt dus samen rond Woord en Sacrament, rond Schrift en Tafel. En beide maken gemeenschap en Christusontmoeting mogelijk.

In zijn publicatie met de titel Eucharistie. Het woord en het brood uit 2011 werkt de priester Ton van Eijk deze gedachte verder uit. In en door het Woord van God kan men dan op een soort geestelijke wijze toch het sacrament ervaren. Woord en sacrament komen bij dezelfde inhoud uit. Het gaat zowel in Woord als sacrament om ‘manducare Christum’, Christus eten. Het loont de moeite om wat lager bij deze zienswijze stil te staan.

Op de eerste plaats benadrukt Van Eijk dat het gaat steeds om die persoonlijke relatie, communio met Christus gaat: of de relatie nu sacramenteel (in de eucharistie) bemiddeld is of niet. Zowel het brood dat het woord (van Christus) is als het brood dat het lichaam van Christus is (eucharistie) zijn op die persoonlijke relatie gericht. Gemeenschap met Christus komt tot stand door het horen en opnemen van zijn woord, en dit is als het eten van het brood dat Hij is.

In de liturgie, zo leert Vaticanum II, neemt de Kerk van de tafel van het woord van God en van het Lichaam van Christus het brood van het leven en reikt dit de gelovigen aan (Dei Verbum 21); hier omvat het brood zowel het Woord van God als het Lichaam van Christus. In een andere tekst worden de christengelovigen aan de tweevoudige tafel van de heilige Schrift en de Eucharistie gevoed met het Woord van God (Presbyterorum Ordinis 18). In deze tekst omvat het Woord zowel de Schrift als de Eucharistie.

In den beginnen was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God (Joh. 1,1). Het is als Woord dat Christus door mensen wil worden gehoord en ontvangen. De wijze waarop God met de mens communiceert (communio, gemeenschap zoekt) wordt maximaal zichtbaar in het sacrament, maar vindt steeds plaats door het Woord en valt dus niet met het sacrament of de sacramenten samen.

Van Eijk maakt duidelijk dat de verkondiging van het woord dezelfde communicatie wil realiseren als de communie. Het is uiteindelijk hetzelfde brood dat gebroken wordt en het gaat in beide gevallen om het manducare Christum. Daar komt bij dat katholieken en protestanten zich probleemloos samen rond het woord in gebed en gezang kunnen verenigen.

Sacramentele en/of geestelijke ontmoeting

Van Eijk voegt een tweede, onverwachte dimensie toe. Hij doet de suggestie om (opnieuw) onderscheid te maken tussen geestelijke communie en sacramentele communie. Hij ontwikkelt zijn gedachten over geestelijke communie analoog aan de Middeleeuwse gedachte van ‘het doopsel naar begeerte’. De geestelijke communie onderscheidt zich hierin van de sacramentele dat daarin niet lijfelijk gegeten en gedronken wordt. Maar zij is wel op hetzelfde gericht als de sacramentele communie, namelijk de gemeenschap met Christus. Het onderscheid tussen geestelijke en sacramentele communie is natuurlijk inadequaat, want een vruchtbare sacramentele communie is een geestelijke, een die zich in de Geest (met een hoofdletter!) voltrekt.

De leer van de geestelijke communie als verlangen naar de sacramentele communie is niet ontworpen met het oog op de verdeeldheid van christenen aan de tafel van de Heer. Maar christenen kunnen elkaar de gemeenschap met Christus en het verlangen ernaar niet kunnen ontzeggen, aldus Van Eijk. Zou het niet eerder gestimuleerd moeten worden, juist met het oog op de verzoening van de christenen ín en vanuit Christus?

Maar hoe zou een katholiek zich hiertoe kunnen verhouden? Rooms-katholieken behoren wekelijks de eucharistie te vieren, want dat is 'het meest kostbare bezit van de Kerk in haar reis door de geschiedenis' (Ecclesia de Eucharistia). Maar let op: wekelijks vieren betekent niet automatisch wekelijks de communie ontvangen. In strikte zin schrijft het kerkelijk wetboek als minimum eis voor dat éénmaal per jaar, met Pasen, iedere katholiek ter communie moet gaan.

Natuurlijk stimuleert de Kerk, zeker sinds Pius X, de regelmatige communie. Maar niet zonder condities. Voor niet-katholieken is het goed te weten dat er ook voor katholieken enkele regels bestaan ten aanzien van het naderen van de Tafel des Heren. Het geloof in de eucharistie en de realis presentia wordt weliswaar veronderstelt, maar toch moet men over de juiste gesteltenis beschikken, zich niet bewust zijn van zware zonden en anders vooraf het Sacrament van Boete en Verzoening ontvangen, de biecht.

En dat brengt mij bij een kritische vraag aan ons katholieken (en ook aan mijzelf): gaan wij niet veel te gemakkelijk om met ‘de bron en het hoogtepunt’ van de Kerk? Is er wellicht iets te weinig eucharistische vroomheid in de katholieke gelederen. Hoe houden wij vol dat niet-katholieken enkel onder zeer specifieke omstandigheden en bij hoge uitzondering de eucharistie mogen ontvangen terwijl bij uitvaarten, kerstvieringen, carnavalsmissen en huwelijksinzegeningen aanwezigen in een soort bewusteloosheid ter communie gaan? Kunnen we voor niet-katholieken de communie op welhaast onbereikbare afstand zetten zonder dat we een zekere interne discipline onderhouden aangaande onze eigen praxis? Daar ligt, niet in de laatste plaats omwille van de oecumene, een grote vormingsopdracht.

Literatuur:
Ton van Eijk, Eucharistie: het woord en het brood
Uitgeverij 2VM, 2011
ISBN: 978-94-90393-07-6

 

 
« Vorige